huis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huis huizen
verkleinwoord huisje huisjes

Zelfstandig naamwoord

huis o

  1. gebouw bestemd om in te wonen
    Zij wonen in een groot huis.
  2. geslacht, verwijzing naar iemands afkomst
    Die mensen zijn alle afstammeling van het huis de Vries.
  3. dynastie, koninklijk geslacht
    Het huis van Oranje.
  4. firma, eenvoudige onderneming van twee of meer personen
    Producten zijn te koop bij ons huis.
  5. omhulsel
    Het huis van de kogel.
  6. zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
    Het Witte Huis, het Anne Frankhuis, Huis ten Bosch, het Holland-Heinekenhuis.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: er is geen huis met hem te houden
  • [1]: ergens kind aan huis zijn
  • [1]: heer des huizes
  • [1]: in een glazen huis wonen
  • [1]: met de deur in huis vallen
  • [1]: ten huize van
  • [1]: van goeden huize
  • [1]: van huis en haard verdreven
Vertalingen
Verwijzingen

huis van bewaring, huisjes melken, huisje, boompje, beestje, ouderlijk huis

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ɦœʏ̯s/
enkelvoud meervoud
naamwoord huis huise

Zelfstandig naamwoord

huis

  1. huis
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen