kas
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kas
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kas | kassen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- de bak die het ontvangen geld bevat
- In onze winkel is ieder personeelslid verantwoordelijk voor zijn eigen kas.
- (figuurlijk) de liquide middelen van een organisatie
- We hebben op het moment niet zoveel geld in kas.
- een doorzichtige -meest glazen- constructie die het cultiveren van planten mogelijk maakt die een ander klimaat vergen dan buiten heerst
- Het Westland heet vanwege zijn vele kassen ook wel de Glazen Stad.
Vertalingen
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie die het cultiveren van planten mogelijk maakt die een ander klimaat vergen dan buiten heerst
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kassen |
kas
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
- Ik kas.
- gebiedende wijs van kassen
- Kas!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
- Kas je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Papiamento
Zelfstandig naamwoord
kas
Turks
Zelfstandig naamwoord
kas