huurwoning

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huur·wo·ning
enkelvoud meervoud
naamwoord huurwoning huurwoningen
verkleinwoord huurwoninkje huurwoninkjes

Zelfstandig naamwoord

huurwoning v

  1. een woning waar men -gewoonlijk maandelijks- huur voor betaalt
    Wij wonen in een huurwoning.
Antoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen