appartement
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ap·par·te·ment
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | appartement | appartementen |
| verkleinwoord | appartementje | appartementjes |
Zelfstandig naamwoord
appartement o
- een afzonderlijke woning in een groter gebouw
- Al onze studenten hebben beschikking over een appartement.