afkomst
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·komst
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afkomst | afkomsten |
| verkleinwoord | afkomstje | afkomstjes |
Zelfstandig naamwoord
afkomst v
- de familie waarvan je afstamt
- Die jongen heeft een goede afkomst, maar is toch gaan stelen.
- de plaats waar je vandaan komt
- De afkomst van de inbrekers was onbekend.