afkomst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·komst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afkomst afkomsten
verkleinwoord afkomstje afkomstjes

Zelfstandig naamwoord

afkomst v

  1. de familie waarvan je afstamt
    Die jongen heeft een goede afkomst, maar is toch gaan stelen.
  2. de plaats waar je vandaan komt
    De afkomst van de inbrekers was onbekend.
Vertalingen