thuis
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /tœʏs/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /tœːs/
Woordafbreking
- thuis
Woordherkomst en -opbouw
- Samentrekking van te-huis.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | thuis | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
thuis o
- een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
- Hier vindt zelfs deze zeldzame vlinder een thuis.
Bijwoord
thuis
- op de eigen stek
- Hij was thuis.
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- thuisbrengen: Hij bracht zijn moeder even thuis.