thuis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • thuis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord thuis -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

thuis o

  1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
    Hier vindt zelfs deze zeldzame vlinder een thuis.

Bijwoord

thuis

  1. op de eigen stek
    Hij was thuis.
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    thuisbrengen: Hij bracht zijn moeder even thuis.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen