wonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wo·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wonen
woonde
gewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

wonen

  1. (inergatief) een permanente behuizing hebben
    In ons werkgebied wonen ongeveer 200.000 mensen.
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen