pand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pand
enkelvoud meervoud
naamwoord pand panden
verkleinwoord pandje pandjes

Zelfstandig naamwoord

pand

  1. m (kleding) een deel van een jas
  2. o een gebouw
  3. o (juridisch) een zakelijk recht op het roerend goed van een ander om met voorrang een vordering te kunnen verhalen
  4. (transport) een stuk kanaal of vaart dat tussen twee sluizen gelegen is
Afgeleide begrippen
Vertalingen