verblijf
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·blijf
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | verblijf | verblijven |
| verkleinwoord | verblijfje | verblijfjes |
Zelfstandig naamwoord
verblijf o
- het verblijven
- Ik zou graag mijn verblijf willen verlengen.
- een onderkomen
- Dit is mijn verblijf voor de komende paar maanden.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| verblijven |
verblijf
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verblijven
- Ik verblijf.
- gebiedende wijs van verblijven
- Verblijf!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verblijven
- Verblijf je?