verhuizen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·hui·zen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verhuizen |
verhuisde |
verhuisd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verhuizen
- (ergatief) van woonplaats veranderen
- Wij verhuizen morgen naar Rotterdam.
- de inboedel van een ander overbrengen
- Dat bedrijf hielp hun met het verhuizen naar een gloednieuw huis.
Vertalingen
1. van woonplaats veranderen