verhuizen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·hui·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verhuizen
verhuisde
verhuisd
zwak -d volledig

Werkwoord

verhuizen

  1. (ergatief) van woonplaats veranderen
    Wij verhuizen morgen naar Rotterdam.
  2. de inboedel van een ander overbrengen
    Dat bedrijf hielp hun met het verhuizen naar een gloednieuw huis.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen