bungalow
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bun·ga·low
Woordherkomst en -opbouw
- Via het Gujarati-woord bungalo uiteindelijk afgeleid van het Hindi-woord bangla of bangala, "Bengaals huis". Als zwerfwoord vervolgens in veel talen overgenomen; het Nederlands heeft het woord aan het Engels ontleend.[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bungalow | bungalows |
| verkleinwoord | bungalowtje | bungalowtjes |
Zelfstandig naamwoord
bungalow m
- woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
- Met de vakantie zitten we in een bungalow in de Ardennen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
Verwijzingen
- ↑ Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. Veen, Amsterdam / Antwerpen, 2e druk, 2002.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Engels
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| bungalow | bungalows |
Zelfstandig naamwoord
bungalow