huishouden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huishouden
hield huis
huisgehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

huishouden

  1. (pejoratief) een grote rommel of vernietiging achterlaten
    De bandieten hielden flink huis in het dorpje dat ze plotseling overvallen hadden.
enkelvoud meervoud
naamwoord huishouden huishoudens
verkleinwoord huishoudentje huishoudentjes

Zelfstandig naamwoord

huishouden o

  1. een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
    Veel huishoudens kregen het in deze crisis zwaar te verduren.