huishouden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: huishouden (hulp, bestand)
Woordafbreking
- huis·hou·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| huishouden |
hield huis |
huisgehouden |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
huishouden
- (pejoratief) een grote rommel of vernietiging achterlaten
- De bandieten hielden flink huis in het dorpje dat ze plotseling overvallen hadden.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | huishouden | huishoudens |
| verkleinwoord | huishoudentje | huishoudentjes |
Zelfstandig naamwoord
huishouden o
- een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
- Veel huishoudens kregen het in deze crisis zwaar te verduren.