tolhuis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tol·huis
enkelvoud meervoud
naamwoord tolhuis tolhuizen
verkleinwoord tolhuisje tolhuisjes

Zelfstandig naamwoord

tolhuis o

  1. gebouw van waaruit tol geheven wordt
    Hij stopte bij het tolhuisje en gooide twee euro in de trechter.