house

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelengelse hus.
enkelvoud meervoud
house houses

Zelfstandig naamwoord

house

  1. huis
    «Their new house has three bathrooms.»
    Hun nieuw huis heeft drie badkamers.
  2. huisgezin
  3. familie
  4. coterie
vervoeging
onbepaalde wijs to house
he/she/it houses
verleden tijd housed
voltooid
deelwoord
housed
onvoltooid
deelwoord
housing
gebiedende wijs house

Werkwoord

house

  1. (overgankelijk) herbergen
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

on the house

  • Op kosten van de barman.

to set up house

  • Zelfstandig gaan wonen.

to keep house

  • Het huishouden doen.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen