hypotheek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hy·po·theek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hypotheek hypotheken
verkleinwoord hypotheekje hypotheekjes

Zelfstandig naamwoord

hypotheek v

  1. een geldsom met een onroerend goed als pand
    We zijn al jaren bezig met het aflossen van onze hypotheek.
    hypotheek bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl