ijs

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een blokje ijs.
[2] Een ijsje.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs
enkelvoud meervoud
naamwoord ijs -
verkleinwoord ijsje [2] ijsjes [2]

Zelfstandig naamwoord

ijs o

  1. de vaste vorm van water, bevroren water
    • Water wordt op 0° Celsius ijs. 
  2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
    • IJs is een geliefd verfrissingsmiddel tijdens warme zomers. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • IJs en weder dienende
als de (weers)omstandigheden meewerken [1]
  • Als het water zakt, dan kraakt het ijs.
een logisch gevolg
  • Beslagen ten ijs komen
goed voorbereid zijn en zeker zijn
  • Het ijs is gebroken
na een kil begin is men vriendelijk tegen elkaar
  • Met Sint Juttemis als de kalveren op het ijs dansen
Nooit! (Sint Juttemis valt op 17 augustus, en dan ligt er geen ijs)
  • Niet over één nacht(s) ijs gaan/men gaat niet over ijs van één nacht
Een voorzichtige aanpak hanteren. Niet overhaast handelen.
  • Onbeslagen ten ijs komen
niet voorbereid zijn
  • Zich op glad ijs wagen/begeven
ergens over gaan praten waar die weinig van af weet
Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ijzen

ijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijzen
    • Ik ijs. 
  2. gebiedende wijs van ijzen
    • IJs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijzen
    • IJs je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen