ijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] Een blokje ijs.
[2] Een ijsje.
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bevroren water’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
  • In de betekenis van ‘bevroren water of room als lekkernij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1793 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ijs -
verkleinwoord ijsje [2] ijsjes [2]

Zelfstandig naamwoord

ijs o

  1. (natuurkunde) de vaste vorm van water, bevroren water
    • Water wordt op 0° Celsius ijs. 
    • Het ijs is nog niet dik genoeg om op te staan. 
     Het was een ijskoude nacht en ik werd meerdere malen bibberend wakker. Verbaasd zag ik de volgende ochtend dat er een dun laagje ijs op mijn tent lag.[2]
  2. (voeding) een lekkernij, meestal op basis van zuivel, die in bevroren toestand wordt gegeten
    • IJs is een geliefd verfrissingsmiddel tijdens warme zomers. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • IJs en weder dienende
als de (weers)omstandigheden meewerken [3]
  • Als het water zakt, dan kraakt het ijs.
een logisch gevolg; humoristisch gebruikt voor het laten van een wind tijdens het plassen
  • Beslagen ten ijs komen
goed voorbereid zijn en zeker zijn
  • Het ijs is gebroken
na een kil begin is men vriendelijk tegen elkaar
  • Met Sint Juttemis als de kalveren op het ijs dansen
Nooit! (Sint Juttemis valt op 17 augustus, en dan ligt er geen ijs)
  • Niet over één nacht(s) ijs gaan/men gaat niet over ijs van één nacht
Een voorzichtige aanpak hanteren. Niet overhaast handelen.
  • Onbeslagen ten ijs komen
niet voorbereid zijn
  • Zich op glad ijs wagen/begeven
ergens over gaan praten waar die weinig van af weet
Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ijzen

ijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijzen
    • Ik ijs. 
  2. gebiedende wijs van ijzen
    • IJs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijzen
    • IJs je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen