ijzig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ij·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van ijs met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ijzig ijziger ijzigst
verbogen ijzige ijzigere ijzigste
partitief ijzigs ijzigers -

Bijvoeglijk naamwoord

ijzig

  1. zeer kil en onaangenaam, onvriendelijk, zonder enige warmte in het gevoel
    • De ijzige hoofdzuster kon niet lachen om de grappen van de jonge dokter. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen