bomijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bomijs boven stromend water
Uitspraak
Woordafbreking
  • bom·ijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bomijs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bomijs o [2]

  1. ijs waaronder geen water meer is en dus heel gevaarlijk is om op te schaatsen
    • Keimpe Wagenaar (65) uit Wirdum („ik ben een oer-Fries”) heeft 30 rondjes geschaatst, vertelt hij als hij zijn schaatsen uittrekt. Hij rijdt twee keer per week met een schaatsploeg. „Ik kan met de beste toerrijders mee komen.” De slanke zestiger in zwart pak draagt een helm en overschoenen over zijn schaatsen. „Dat houdt de kou tegen. Ik heb ook een winddichte onderbroek aan. En dit jasje”, zegt hij als hij op zijn jack wijst, „kost 170 euro en bestaat uit drie delen stof.” De kwaliteit van het ijs valt hem tegen. „Hopeloos. Veel bomijs, bobbels op het ijs. De eerste vijftien rondjes moest ik recht op rijden, anders raak je uit balans. Nee, in de Jan Durkspolder bij Earnewâld was het ijs veel beter.”[3] 
  2. (figuurlijk) beleid dat nergens op steunt
    • Zo is het gekomen dat ondernemers en andere leiders elkaar begonnen te imiteren met plechtige statements, dat het de grote uitdaging voor de toekomst zou zijn om wereldspeler te worden. Wie dat niet voor elkaar zou kunnen krijgen, kon het verder wel vergeten. Na korte tijd al bleek echter dat de nieuwbakken wereldspelers bezig waren aan een hachelijke wedstrijd schaatsen op bomijs. Immers, de wereldeconomie is een global village, waarin iedereen iedereen kent en in de gaten houdt. Maar dat niet alleen. Alle wereldspelers maken gebruik van dezelfde informatie, die bovendien overal tegelijk voor iedereen ter beschikking is. Het gevolg is dat ze maar een ding op de markt aan te bieden hebben: uniformiteit. Hun kraampjes zien er allemaal hetzelfde uit en luid schreeuwend proberen zij dezelfde spullen te slijten aan dezelfde klanten.[4]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

26 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. bomijs op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Karin de Mik
  4. NRC Zelfstandig Organisatieadviseur Prof.Dr. C.J. Zwart 9 maart 1993