ijsvlakte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

ijsvlaktes aan de kunst van Nederland
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·vlak·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsvlakte ijsvlakten
ijsvlaktes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ijsvlakte [1]

  1. een grote vlakte van bevroren water
    • Ik haalde met de paginarand wat vuil onder mijn nagels weg. Mijn eigen religie bood ook weinig hoop. Maar misschien zag ik het te somber in. Niet iedere christen was zo gemakzuchtig als mijn grefo-vriend. En ondanks de berichten over de opwarming van de aarde, was het de afgelopen dagen toch knap koud. Maar goed, de oude Noren waren er juist van overtuigd dat het hiernamaals uit een grote ijsvlakte bestond. Voor ik daar weer over kon piekeren, deed ik mezelf maar in bed. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Ellen Deckwitz 28 november 2016