ijshockey

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·hoc·key
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijshockey -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ijshockey o

  1. (sport) ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
    • Er was ijshockey op de tv, maar je kon de puck niet volgen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ijshockeyen

ijshockey

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijshockeyen
    • Ik ijshockey. 
  2. gebiedende wijs van ijshockeyen
    • IJshockey! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijshockeyen
    • IJshockey jij? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie