ijspegel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

ijspegels
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·pe·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijspegel ijspegels
verkleinwoord ijspegeltje ijspegeltjes

Zelfstandig naamwoord

ijspegel m [1]

  1. priemvormig stuk ijs dat ergens aan hangt, en ontstaat door aanvriezend smeltwater
    • Nog voor de auto stilstond, rukte zij al aan het portier. Vergeefs. Gisterochtend had hij zijn dochter Micky naar school gebracht en het kinderslot zat er nog op. 'Even wachten, meisje.' Kalm deed hij zijn leren handschoenen aan en stapte uit. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en tuurde voorbij de ezels, naar de einder, het lichte lichtblauw van de lucht, het witte land dat glansde van de zon. Aan het hek druppelden ijspegels. 's Nachts vroor het flink. In het huisje dat hij had gehuurd stond een houtkachel. Hij was daar buitengewoon tevreden over.[2] 
    • Ik kom aan in een steenkoud huis. Voor haar vertrek heeft de comtesse waarschijnlijk de verwarming op de laagste stand gezet, want er staan ijsbloemen op mijn ramen en onder de vensterbanken hebben zich ijspegels gevormd.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. A.L. Snijders De mooiste korte verhalen 2015 ISBN 978-90-5965-306-1 pagina 49
  3. Spoor, Hendricke Vader en dochter 2015 ISBN 978-94-6003896-9 pagina 226