ijsbeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een ijsbeer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·beer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsbeer ijsberen
verkleinwoord ijsbeertje ijsbeertjes

Zelfstandig naamwoord

ijsbeer m

  1. (dierkunde), (beer) Ursus maritimus op Wikispecies, een grote witte beer die van nature in het Noordpoolgebied leeft
    • Een witte ijsbeer. 
     De hele discussie over het gedrag van de ijsbeer was niet zo relevant omdat er op IJsland, afgezien van een verdwaald exemplaar op een ijsschots, normaal geen ijsberen voorkomen.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ijsberen

ijsbeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijsberen
    • Ik ijsbeer. 
  2. gebiedende wijs van ijsberen
    • IJsbeer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijsberen
    • IJsbeer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen