ijsbeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een ijsbeer.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·beer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsbeer ijsberen
verkleinwoord ijsbeertje ijsbeertjes

Zelfstandig naamwoord

ijsbeer m

  1. (dierkunde), (beer) Ursus maritimus op Wikispecies, een grote witte beer die in de poolstreken leeft
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ijsberen

ijsbeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijsberen
    • Ik ijsbeer. 
  2. gebiedende wijs van ijsberen
    • IJsbeer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijsberen
    • IJsbeer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen