kraakijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kraak·ijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kraakijs -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kraakijs o

  1. ijs dat kraakt, bomijs
    • "Kraakijs is geen breekijs" werd er wel beweerd 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be