ijsbereider

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·be·rei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsbereider ijsbereiders
verkleinwoord ijsbereidertje ijsbereidertjes

Zelfstandig naamwoord

ijsbereider m

  1. iemand die consumptieijs maakt
    • De meeste ijsbereiders die in Noord-Europa werken komen uit Maniago. 

Gangbaarheid