schepijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Italiaans schepijs
Uitspraak
Woordafbreking
  • schep·ijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schepijs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schepijs o [1]

  1. (room)ijs dat met een ijsschep uit een grote bak wordt geschept
    • Mijn favoriete ijs is altijd sorbetijs geweest. De echte favoriet was de ene keer mango, dan citroen en dan weer passievrucht, maar het was altijd schepijs met fruitsmaak. Frambozen is ook zo’n smaak die altijd goed is. Nu heb ik de combinatie van frambozen en champagne al vaak in andere vormen geproefd dus ik kan me voorstellen dat dit recept een heerlijk ijsje oplevert.[2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Sam de Voogt 29 augustus 2016