ijspiste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

ijspiste in Brugge
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·pis·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijspiste ijspisten
ijspistes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ijspiste v/m

  1. een door de mens aangelegde ijsbaan
    • In de eerste run nam Balcaen weinig risico’s om een valpartij te vermijden. Heel wat concurrenten, onder wie titelverdediger Bugaev, vielen immers op de ijspiste of misten op het moeilijke parcours een poortje. Hij zette daarin de zestiende tijd neer.[1] 
    • Het koningspaar heeft vrijdag de laatste werkdag van het staatsbezoek aan Canada aangevat. Bij een bezoek aan een school waagde koning Filip zich op de ijspiste. Hij legde de puck tweemaal in het mandje.[2] 
    • Een 43-jarige vrouw is hersendood na een valpartij op de ijspiste in Brugge. Ze viel op haar hoofd en werd niet veel later hersendood verklaard. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen wat er precies gebeurd is.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen