bol

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bol
enkelvoud meervoud
naamwoord bol bollen
verkleinwoord bolletje bolletjes

Zelfstandig naamwoord

bol m

  1. (wiskunde) (o.a. stereometrie) driedimensionaal lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt, sfeer
  2. min of meer rond voorwerp
    Bovenop de mast was een bol bevestigd, waarop je moest proberen te blijven staan.
  3. (biologie) bolvormig, vlezig, onderaards plantendeel in schubben of rokken opgehoopt waar gestopt in de grond een plant uit groeit, bloembol
    De bollen moesten in oktober in de grond geplaatst worden.
  4. (spreektaal) (informeel) een hoofd
    Hoe haal je het in je bol om die kast weg te geven!
  5. rond brood met bolle bovenkant
    Kun jij even wat volkoren bolletjes bij de bakker halen?
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.
Vertalingen

Meer informatie

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bol boller bolst
verbogen bolle bollere bolste

bol

  1. een glooiende uitstulping in een oppervlak vormend
    Bolle wangen.
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • (om een zeil) bol staan