Naar inhoud springen

nest

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Nest
  • nest
  • In de betekenis van ‘vogelbroedplaats’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • erfwoord van Germaans *nestaz, op zijn beurt van Indo-Europees *nisdós. [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord nest nesten
verkleinwoord nestje nestjes

het nesto

  1. (dierkunde) de verblijf- en broedplaats van bepaalde diersoorten zoals vogels
    • De vogels hadden op de schoorsteen een nest gebouwd. 
  2. (informeel) (pejoratief) vervelend, nuffig meisje
    • Vervelend nest! 
  • In de nesten zitten
met problemen zitten
  • Zijn eigen nest bevuilen
kritiek uitoefenen op de eigen familie of volk
vervoeging van
nesten

nest

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van nesten
  2. gebiedende wijs van nesten

nest

  1. onverbogen vorm van de overtreffende trap van nes
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]


enkelvoud meervoud
nest nests

nest

  1. nest
vervoeging
onbepaalde wijs to  nest 
he/she/it  nests 
verleden tijd  nested 
voltooid
deelwoord
 nested 
onvoltooid
deelwoord
 nesting 
gebiedende wijs  nest 

nest

  1. zich nestelen
  2. nesten


  • nest

nest

  1. voltooid deelwoord van neste