leem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leem -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

leem m/o

  1. kleiachtige, in vochtige toestand plastische grond met een zandgehalte groter dan 20%
    Dat huis was op een grond van leem gebouwd.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
lemen

leem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lemen
    Ik leem.
  2. gebiedende wijs van lemen
    Leem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lemen
    Leem je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl