leem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leem -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

leem m/o

  1. kleiachtige, in vochtige toestand plastische grond met een zandgehalte groter dan 20%
    • Dat huis was op een grond van leem gebouwd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
lemen

leem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lemen
    • Ik leem. 
  2. gebiedende wijs van lemen
    • Leem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lemen
    • Leem je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl