bolletje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bol·le·tje
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord bolletje bolletjes

Zelfstandig naamwoord

bolletje o

  1. een zacht broodje in de vorm van een bol
    • Mijn buurjongen bleef maar van die bolletjes eten. 
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

bolletje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bol
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.
Vertalingen

Meer informatie