bolletje
Uiterlijk
- bol·le·tje
| [2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | (bol) | (bollen) |
| verkleinwoord | bolletje | bolletjes |
het bolletje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bol
- alleen verkleinwoord (voeding) zacht broodje in de vorm van een bol
- Mijn buurjongen bleef maar van die bolletjes eten.
- [1] kaasbolletje, wasbolletje
- Het woord bolletje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bolletje" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -etje in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Betekenis alleen als verkleinwoord in het Nederlands
- Voeding in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %