lob

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lob
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kwab’ voor het eerst aangetroffen in 1718 [1] [2] [3] [4]
1 enkelvoud meervoud
naamwoord lob lobs
verkleinwoord lobje lobjes
2-4 enkelvoud meervoud
naamwoord lob lobben
verkleinwoord lobje lobjes

Zelfstandig naamwoord

lob m

  1. (badminton) slag waarbij men de shuttle na het ontvangen van een drop hoog en ver terugspeelt
  2. (anatomie) kwab
  3. (biologie) deel van een blad tussen twee ondiepe insnijdingen, met een ronde rand
  4. (biologie) zaadlob
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lobben

lob

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lobben
    • Ik lob. 
  2. gebiedende wijs van lobben
    • Lob! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lobben
    • Lob je? 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen