bloembol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bloembol
Uitspraak
Woordafbreking
  • bloem·bol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bloembol bloembollen
verkleinwoord bloembolletje bloembolletjes

Zelfstandig naamwoord

bloembol m

  1. (plantkunde) bolvormig stengeldeel van een plant, onder de grond
    • - Nederland exporteert veel bloembollen zoals tulpen en hyacinten. 
    • - De Hollandse tulpenmanie in de Gouden Eeuw heeft naam gemaakt als de eerste economische bubbel in de geschiedenis. Er werd gespeculeerd op tulpen die nog in de grond zaten, en rond het hoogtepunt in 1637 zou één enkele bloembol net zoveel waard zijn geweest als een grachtenpand - waarna de zeepbel uiteenspatte. De parallellen met het heden liggen voor het oprapen, maar Koek benadrukt dat het in Tulpmania niet primair om de economische crisis gaat: „Het gaat echt om de túlp.”[1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Joep Stapel NRC 30 april 2015