Naar inhoud springen

pijn

Uit WikiWoordenboek
  • pijn
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord pijn pijnen
verkleinwoord pijntje pijntjes

[A]depijnv/m

  1. (medisch) lichamelijk leed, veroorzaakt door ziekte of verwonding
    • De pijn bevindt zich in de streek rond de kuit. 
     Een heftige pijnscheut trekt door mijn enkel, het doet zoveel pijn dat ik hem nauwelijks durf te bewegen.[6]
     Als toetje nam ik twee ibuprofen-pillen om de pijn in mijn voeten te verdoven en ik kroop met vermoeide benen in mijn slaapzak.[7]
     Tegen mijn dochter zeg ik altijd: pijn komt en gaat, maar wij lopen gewoon door.[6]
  2. (medisch) geestelijk leed
    • De pijn om haar overleden echtgenoot bleef nog lang in haar ronddwalen. 
  • pijn doen
vervoeging van
pijnen

[A] pijn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pijnen
    • Ik pijn. 
  2. gebiedende wijs van pijnen
    • Pijn! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pijnen
    • Pijn je? 
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord pijn pijnen
verkleinwoord pijntje pijntjes

[B]depijnm

  1. (plantkunde) benaming voor naaldbomen uit het geslacht Pinus op Wikispecies
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Oudnederlands Woordenboek
  3. pijn (smartelijk gevoel in het lichaam; verdriet) op website: Etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. pijnboom op website: Etymologiebank.nl
  6. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  7. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be