bolleboos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bol·le·boos
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘uitblinker’ voor het eerst aangetroffen in 1866 [1]
  • Herkomst: Jiddisj (vernederlandste vorm) [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord bolleboos bollebozen
verkleinwoord bolleboosje bolleboosjes

Zelfstandig naamwoord

bolleboos m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) iemand die ergens in uitmunt, slimmerik, een zeer intelligent persoon
    • Mijn teamgenoten zien mij niet als een bolleboos. 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen