heer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Heer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heer
Woordherkomst en -opbouw
  • (erfwoord): Middelnederlands here, uit Oudnederlands hērro, hēro, gesubstaniveerd uit de vergrotende trap van het bijvoeglijke naamwoord hēr ‘oud, belangrijk’ met leenbetekenis ‘voornam, eerbiedwaardig’ uit de Oudhoogduitse cognaat die als Duits hehr ‘voornaam, verheven’ wordt voortgezet.[1] Het Oudhoogduits was een leenvertaling van Latijns senior ‘hooggeplaatst persoon (zn.); ouder (bn.)’, maar had het de oorspronkelijke betekenis ‘grijs, grijsharig’ zoals zijn cognaten Oudengels hār en Oudnoords hárr. Afkomstig uit Oergermaans *hairaz, verwant aan Oudiers cíar ‘donkerkleurig’.[2]
  • [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord heer heren
verkleinwoord heertje heertjes

Zelfstandig naamwoord

heer

  1. m man
    Dames en heren, van harte welkom op dit galaconcert.
  2. m deftig persoon
  3. m belangrijk persoon
    De hoge heren hebben besloten dat er 100 mensen ontslagen moeten worden.
  4. m welgemanierd persoon, gentleman
  5. m heerser
  6. m persoon in wiens dienst men staat, meester, baas
  7. m bezitter van een heerlijkheid
  8. m houder van zekere adellijke titel
  9. m aanspreektitel voor mannelijke personen
  10. m zekere kaart in het kaartspel
  11. o (verouderd) (militair) (onveranderlijk); leger
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, p. 201.
  3. etymologiebank.nl

Meer informatie