gaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
gaan gaand
gang gegaan
Uitspraak
Woordafbreking
  • gaan
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: gaen, gaan, ghan, ganghen
Oudnederlands: gān
Germaans: *gānan
Indo-Europees: *ǵʰēh₁-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: go (Angelsaksisch: gān), Duits: gehen, (Oudhoogduits: gān, gēn), Fries: gean (Oudfries: gān, gunga)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: gå (Oudnoords: *gá)
Oost: Gotisch: gaggan
  • Verwant in andere Indo-Europese talen:
Grieks: κίω, κιγχανω, κιχανω
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gaan
ging
gegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

gaan

  1. ergatief zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af
    • Hij ging naar Amerika. 
  2. mogelijk zijn
    • Dat gaat niet. 
  3. hulpwerkwoord vormt een onmiddellijke toekomende tijd
    • En nu ga ik slapen. 
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
gaan
gegaan
volledig

Werkwoord

gaan

  1. gaan
    «Ek gaan môre rugby speel.»
    Ik ga morgen rugby spelen.