overgaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·gaan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overgaan
ging over
overgegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

overgaan

  1. (ergatief) van de ene toestand in de andere veranderen
    Langzaam gaat het water over in ijs.
  2. (ergatief) iets anders gaan gebruiken
    We gaan over op aardgas.
  3. (ergatief) veranderen in
    De onderkant van de stengel gaat over in de wortel.[1]
  4. (ergatief) van eigenaar veranderen
    De boerderij ging over op zijn zoon toen hij overleed.
  5. (ergatief) op school naar een hogere klas gaan
    Ben je overgegaan?
  6. (ergatief) minder worden en uiteindelijk weggaan
    De pijn zal vanzelf overgaan, er zijn geen pillen nodig.
  7. (ergatief) eroverheen gaan
    We wilden net de zebra overgaan toen er een ambulance aankwam.
  8. (ergatief) een belsignaal laten klinken
    De telefoon ging over, maar niemand nam hem op.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen