voorbijgaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·bij·gaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorbijgaan
ging voorbij
voorbijgegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

voorbijgaan

  1. (ergatief) langs een bepaald punt gaan
    Dezelfde fietser ging opnieuw voorbij.
  2. (ergatief) tot verleden gaan behoren
    Die tijd is voorgoed voorbijgegaan.
  3. (inergatief) niet in beschouwing nemen
    Er werd daarmee geheel voorbijgegaan aan de wil van de Iraanse bevolking.
Synoniemen
Vertalingen