voorbijgaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·bij·gaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorbijgaan
ging voorbij
voorbijgegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

voorbijgaan

  1. ergatief langs een bepaald punt gaan
    • Dezelfde fietser ging opnieuw voorbij. 
  2. ergatief tot verleden gaan behoren
    • Die tijd is voorgoed voorbijgegaan. 
  3. inergatief niet in beschouwing nemen
    • Er werd daarmee geheel voorbijgegaan aan de wil van de Iraanse bevolking. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.