begaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gaan
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van gaan met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
begaan
beging
begaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

begaan

  1. overgankelijk iets doen dat onjuist of verboden is
    • Hij beging daarmee een grote vergissing. 
  2. overgankelijk een plaats betreden
    • Je begaat daarmee wel glad ijs. 
  3. iemand laten begaan: iemand niet hinderen of stoppen
    • We moesten de drukken vrouw maar laten begaan, want anders zou ze nog drukker worden. 
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen begaan beganer begaanst
verbogen begane beganere begaanste
partitief begaans beganers -

Bijvoeglijk naamwoord

begaan

  1. gepleegd.
    • De begane overtreding wordt bestraft met een boete. 
  2. waarover men gewoonlijk loopt, de verdieping die op straatniveau ligt
    • We liepen op de begane grond. 
  3. emotioneel betrokken
    • Hij was begaan met het lot van de vluchtelingen. 
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van begaan: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)

Werkwoord

vervoeging van
begaan

begaan

  1. voltooid deelwoord van begaan

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.