uitgaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·gaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitgaan
ging uit
uitgegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

uitgaan

  1. ergatief ophouden met branden
    • De vlam van de kaars ging uit door een sterke bries. 
  2. ergatief klaar zijn met school en weg mogen
    • Toen de school uitging, moesten we gelijk de stad in omdat de winkels anders dicht waren. 
  3. ergatief naar de bar, disco of restaurant gaan
    • We gaan met z'n drieën uit in plaats van met z'n allen. 
  4. ergatief naar buiten gaan
    • We moesten eerst het gebouw uitgaan voordat we mochten roken. 
  5. ergatief ~ van: als vertrekpunt van een redenering nemen
    • Hij ging uit van hun goede bedoelingen. 
  6. ergatief ~ van: zijn oorsprong vinden
    • Die actie gaat uit van een andere organisatie. 
  7. ergatief ~ naar als focus van de gedachten dienen
    • Ons medeleven gaat uit naar de nabestaanden. 
  8. ergatief ervan ~ dat: veronderstellen dat iets waar is
    • Ik weet niet of je ervan uit kunt gaan dat hij komt.. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Als een nachtkaars uitgaan
In een gestaag tempo minder worden en eindigen
  • De laan uitgaan
ontslagen worden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie