omgaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·gaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omgaan
ging om
omgegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

omgaan

  1. ergatief om iets heen gaan
    • U moet hier naar rechts en dan de kerk omgaan. 
  2. ergatief verstrijken van de tijd
    • De dag zal omgaan. 
  3. ergatief omgang hebben met
    • Ik ga met die leuke meid om. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • een straatje omgaan
een korte wandeling maken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omgaan
omging
omgaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

omgáán

  1. overgankelijk (verouderd) passeren door een route rond iets of iemand te volgen [3]
    • En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen. [4]
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van omgaan: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)

Werkwoord

vervoeging van
omgaan

omgaan

  1. voltooid deelwoord van omgaan

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen