meegaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·gaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meegaan
/'meɣan/
ging mee
/ɣɪŋ 'me/
meegegaan
/'meɣəɣan/
klasse 7 volledig

Werkwoord

meegaan

  1. ergatief op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
    • Hij is met de vorige trein meegegaan. 
  2. ergatief, (figuurlijk) op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
  3. iets of iemand navolgen
     Wandelstokken? Inderdaad, ik was met de trend meegegaan en had een paar Leki Thermalite-wandelstokken aangeschaft.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be