kerstboom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een kerstboom.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kerst·boom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kerstboom kerstbomen
verkleinwoord kerstboompje kerstboompjes

Zelfstandig naamwoord

kerstboom m

  1. een rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
    • Bijna iedereen heeft met Kerstmis een kerstboom in de huiskamer staan. 
     De brandende lampion die de kinderen, op de avond van Sint Maarten, zingend langs de huizen dragen, de kerstboom, de suizende lichtpijlen als het nieuwe jaar begint en de hoge sprong over het vuur op het zomerfeest van Sint Jan.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 7