kerstboom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. Een kerstboom.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kerst·boom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kerstboom kerstbomen
verkleinwoord kerstboompje kerstboompjes

Zelfstandig naamwoord

kerstboom m

  1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
    • Bijna iedereen heeft met Kerstmis een kerstboom in de huiskamer staan. 
     De brandende lampion die de kinderen, op de avond van Sint Maarten, zingend langs de huizen dragen, de kerstboom, de suizende lichtpijlen als het nieuwe jaar begint en de hoge sprong over het vuur op het zomerfeest van Sint Jan.[3]
  2. namaakboom die rond Kerstmis wordt opgesteld met allerlei versieringen
     In het ouderlijk huis trof ik mijn moeder op de grond, in gevecht met de plastic kerstboom die drie keer dubbelgeklapt in een bewaarhoes moest.[4]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. kerstboom op website: Etymologiebank.nl
  3. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 7
  4. Bronlink geraadpleegd op 13 juni 2020 Weblink bron Marcel van Roosmalen “Gestolde tijd” (9 januari 2019) op nrc.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be