pátek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /ˈpaːtɛk/
Woordafbreking
  • pá·tek

Zelfstandig naamwoord

pátek m

  1. vrijdag
Verbuiging


Dagen in het Tsjechisch
pondělí
maandag
úterý
dinsdag
středa
woensdag
čtvrtek
donderdag
pátek
vrijdag
sobota
zaterdag
neděle
zondag