bad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een bad.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad
enkelvoud meervoud
naamwoord bad baden
verkleinwoord badje badjes

Zelfstandig naamwoord

bad o

  1. voorwerp waarin men zich wast met water
  2. hoeveelheid water of ander medium waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
bidden

bad

  1. enkelvoud verleden tijd van bidden
    Ik bad.
    Jij bad.
    Hij, zij, het bad.


Deens

Zelfstandig naamwoord

bad o

  1. bad


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelengelse badde
stellend vergrotend overtreffend
bad worse worst

Bijvoeglijk naamwoord

bad

  1. slecht
  2. schadelijk
  3. bedorven
  4. ernstig
  5. minderwaardig
  6. kwaadaardig
Synoniemen
Antoniemen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord bað
Naar frequentie 1155

Werkwoord

bad

  1. gebiedende wijs van bade

Werkwoord

bad

  1. verleden tijd van be
Schrijfwijzen

Werkwoord

bad

  1. verleden tijd van bede
Schrijfwijzen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bad     badet     bad     bada
badene  
genitief   bads     badets     bads     badas
badenes  

Zelfstandig naamwoord

bad o

  1. in water, zand, modder of andere stoffen of in de zon baden
  2. bad (hoeveelheid vloeistof)
  3. (scheikunde) bad (hoeveelheid chemische vloeistof)
  4. (bouwkunde) badkamer
    «Leiligheten har både bad og vannklosett.»
    Het appartement heeft zowel bad als watercloset.
  5. badplaats, kuuroord
  6. (bouwkunde) gebouw met badkamers of zwembad
    «Kommunen har bygget et nytt bad
    De gemeente bouwde een nieuwe badinrichting.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
  • [1]: et ufrivillig bad
een onvrijwillig bad
  • [5]: ta en kur ved et bad
een kuur in een bad nemen

Zelfstandig naamwoord

bad, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bad


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord bað

Werkwoord

bad

  1. gebiedende wijs van bade
Schrijfwijzen

Werkwoord

bad

  1. verleden tijd van be

Werkwoord

bad

  1. verleden tijd van bede
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bad     badet     bad     bada  

Zelfstandig naamwoord

bad o

  1. in water, zand, modder of andere stoffen of in de zon baden
  2. bad (hoeveelheid water of andere vloeistof)
  3. (scheikunde) bad (hoeveelheid chemische vloeistof)
  4. (bouwkunde) badkamer
    «Huset har både bad og vassklosett.»
    Het huis heeft zowel bad als watercloset.
  5. badplaats, kuuroord
  6. (bouwkunde) gebouw met badkamers of zwembad
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
  • [1]: ta seg eit bad
een bad nemen
  • [5]: ta ein kur ved eit bad
een kuur in een bad nemen

Zelfstandig naamwoord

bad, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bad


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

bad

  1. bad