badpak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
badpak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad·pak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord badpak badpakken
verkleinwoord badpakje badpakjes

Zelfstandig naamwoord

badpak o

  1. (kleding) kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
    • Wij liepen in badpak. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie