badpak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
badpak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad·pak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord badpak badpakken
verkleinwoord badpakje badpakjes

Zelfstandig naamwoord

badpak o

  1. (kleding) kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
    • Wij liepen in badpak. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be