afkorting

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·kor·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afkorting afkortingen
verkleinwoord afkortinkje afkortinkjes

Zelfstandig naamwoord

afkorting v

  1. (taalkunde) algemeen: het inkorten van een woord of een frase
    • Hij schreef dat woord op als een afkorting. 
  2. (taalkunde) in het bijzonder: een aanduiding van een woord of een woordgroep door een beperkt aantal letters, dat als het gehele woord of woordgroep wordt uitgesproken
    • Ir. is de afkorting voor ingenieur en n.a.v. is de afkorting voor naar aanleiding van. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie