badwater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord badwater
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

badwater o [2]

  1. (verouderd) water waarin men zich kan wassen
  2. water dat gebruikt wordt om een bad te vullen
    • Eerst liet de vrouw het bad vollopen en daarna ging ze zelf in het heerlijk warme badwater liggen. 
    • In bad was je je, maar niet alleen om er gunstig geurend uit te komen. We vonden drie baden waarin een oude schuld of zonde met het badwater weggespoeld kan worden. [3] 
     Per ongeluk had ik het bad laten overlopen toen ik even weg was gedommeld op het kingsize motelbed. Het badwater bedekte het tapijt en stroomde onder de deur door de kamer uit.[4]
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. badwater op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Thomas de Veen 7 augustus 2016
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be