schadelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schadelijk schadelijker schadelijkst
verbogen schadelijke schadelijkere schadelijkste
partitief schadelijks schadelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

schadelijk

  1. schade toebrengend; ziek makend
    • Te veel eten is schadelijk voor de gezondheid. 
    • Al snel duiken gezondheidsklachten op. Niet bij Van Nijen, die er nuchter in staat. 'Als het echt erg was, had de GGD wel gewaarschuwd.' Andere bewoners maken zich grote zorgen. 'Een gifwijk!', roepen ze. 'Wij gaan dood hier.' De autoriteiten proberen de onrust te temperen. Volgens de GGD blijft de uitstoot van schadelijke stoffen binnen de normen. [1] 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Volkskrant Mac van Dinther9 januari 2017 Olstenaren zijn klaar met tien jaar durende bodemsanering