stortbad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stort·bad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stortbad stortbaden
verkleinwoord stortbadje stortbadjes

Zelfstandig naamwoord

stortbad o

  1. douche

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be